De Uil en de Poes
I
De Uil en de Poes gingen varen op zee
In een mooie groene boot,
Ze namen een potje honing mee
En broodjes en boter in een botervloot.
De Uil keek naar de Poes en zong voor haar,
Terwijl hij speelde op zijn gitaar,
“Oh lieve Poes! Oh lieve Poes,
Ik vind je toch zo'n snoezepoes,
Oh Poes,
Oh Poes,
Ik vind je echt een snoezepoes!”
II
De Poes zei, “Jij mal beest!
Wat zing je toch voor lieve dingen!
We moesten maar eens trouwen, dan vieren we feest:
Maar hoe komen we aan ringen?”
Ze bleven varen, totdat ze na 20 dagen,
Voor zich uit een eiland zagen
En daar stond, ja heus,
Een varken met een ring door zijn neus
Ja heus, door zijn neus.
En nog een varken met een ring door zijn neus
Ja heus, door zijn neus.
III
“Lieve varkens, verkoop mij jullie ringen?”
Zei de uil “Ik betaal ze per stuk”
Ja, we hebben daar toch een hekel aan, aan die dingen
Zeiden de varkens en veel geluk!
De uil en de poes gingen naar de kalkoen
Die woonde op een heuvel op het eiland
Hij trouwde hen de uil gaf de poes een zoen
En ze dansten bij het maanlicht op het strand en
Ze dansten,
Ze dansten,
Hand in hand op het strand.
Translated by Nannie Kuiper